top of page

The mirror of Claudio Monteverdi

2016 | Sony Music | Deutsche Harmonia Mundi

The mirror of Claudio Monteverdi

CD info

Claudio Monteverdi (1567-1643) : Missa da Capella a sei voci fatta sopra il motetto in illo tempore del Gomberti

Een traditionele Monteverdi versus progressieve voorgangers
In het jaar 1610 verscheen bij de Venetiaanse muziekuitgever Amadino een bundel met twee werken van Claudio Monteverdi. Het eerste werk van deze spraakmakende uitgave was de hier opgenomen zesstemmige mis,  geschreven in een voor die tijd “ouderwetse” polyfone stijl van de zestiende eeuw (met als voorbeeld het motet van Gombert). Het tweede werk was van een totaal andere orde, namelijk de barokke, kleurrijke en in bepaalde delen vernieuwende Mariavespers.

De zesstemmige mis van Claudio Monteverdi is in verschillende opzichten een “tour de  force”. Monteverdi wilde met deze compositie zijn meesterschap in het hanteren van de polyfone imitatietechnieken van de vorige generatie bewijzen. Hij is daar op een virtuoze manier in geslaagd, zelfs in zoverre dat hij meteen ook een nieuwe misvorm heeft gecreëerd. Inderdaad, alhoewel de muziekwetenschap steevast deze compositie het label van “parodiemis” toekent, heeft Monteverdi een heel andere techniek toegepast : hij heeft niet het “Gesamtwerk” van de Gombert-compositie willen imiteren, maar heeft enkel 10 zorgvuldig  uitgekozen motieven, her en der verspreid over Gomberts motet, als materiaal voor zijn polyfonie gebruikt. In de inleiding van de begeleidingspartij werden deze tien motieven (die Monteverdi “fughe” noemt) aangegeven.


Het zijn deze tien “fughe” die over het gehele werk door Monteverdi polyfoon bewerkt worden in hun  originele vorm, dikwijls ook in omkering, vertraging of met versieringen. En alle motieven zijn steeds weer in imitatievormen   gegoten. Deze imitaties gaan overigens verder dan in Gomberts motet : door een haast fanatiek gebruik van melodische sequensen, gekoppeld aan zeer dicht geweven imitaties die elkaar kort opvolgen construeert Monteverdi een compact contrapunt dat verder gaat dan de renaissance-polyfonie in zoverre dat men eerder kan spreken van een  “neo-renaissance”-stijl.
Daar waar de renaissancecomponisten nog dikwijls gebruik maken van reëele antwoorden op motieven (het stijgend kwint-interval sol-re wordt beantwoord met de kwint re-la) speelt Monteverdi resoluut de kaart van de tonaliteit. Zo wordt de inzet van de bas in het Kyrie (de eerste “fuga” do-sol) tonaal beantwoord door de twee tenorpartijen (sol-do…).


Elke nieuwe imitatie wordt steeds van een nieuw motief voorzien. Het gebruik van deze “fughe” loopt niet altijd in alle stemmen syncroon. In het gloria bijvoorbeeld, komen alle 10 fugha’s aan bod, maar niet in chronologische volgorde.


Het meest opvallende aspect in Monteverdi’s contrapunt is het steeds weer repetitief gebruik van sequensen met dikwijls een heel dicht verweven polyfone structuur, zoals bijvoorbeeld op de tekst “descendit de coelis” in het Credo.  Op de tekst “et expecto” in het Credo gaat Monteverdi onwezenlijk ver in het sequensgebruik van bas en tenor : de vier stijgende sequensen van de bas worden naadloos verdergezet met nog eens vier stijgende sequensen in de tenor. Deze melodische overgangen van de ene naar de andere stem komen veelvuldig voor en waren voor Monteverdi blijkbaar het bewijs dat zijn technische mogelijkheden haast onbeperkt waren.

Tussen de vijf misdelen van Monteverdi’s archaïsch maar overweldigend contrapunt zingt het Huelgas ensemble vier madrigalen van een vorige generatie. Het zijn werken die telkens grensverleggend geweest zijn. Het chromatische, soms enharmonische “Laura che’l verde  lauro” werd gedrukt in 1572, Monteverdi was toen vijf jaar (!).  Cesare  Tudino’s madrigaal, opvallend met zijn chromatische beweging op het einde van zinnen in de bovenstem, werd gedrukt in 1554, nog vóór Monteverdi geboren was. En het dramatisch geladen “Mia benigna fortuna” van Giaches de Wert bevat “parlando”-passages die ook Monteverdi duidelijk beïnvloed hebben. Tenslotte, Marenzio’s “Solo e pensoso” is een handboek van madrigalismen waar Monteverdi verder zal op bouwen in zijn madrigalenbundels.

Oud en nieuw zijn zo verenigd in dit  concert. Alleen : het oude komt hier later dan het nieuwe. Of hoe ongrijpbaar de Italiaanse muziekkunst is geweest in haar eigenzinnige behandeling van chronologie.

Tracks

Close Claudio Monteverdi (1567-1643): Missa in illo tempore  Kyrie Nicola Vicentino (1511-1576) : Laura che'l verde laura. Claudio Monteverdi (1567-1643): Missa in illo tempore  Gloria (à 6) Cesare Tudino (1530-1591/92) : Amor, i'ho molti e molt'anni pianto. Claudio Monteverdi (1567-1643): Missa in illo tempore  Credo Giaches de Wert (1535-1596) : Mia benigna fortuna. Claudio Monteverdi (1567-1643): Missa in illo tempore  Sanctus Luca Marenzio (1553-1599) : Solo e pensoso. Claudio Monteverdi (1567-1643): Missa in illo tempore  Agnus Dei

bottom of page